Einde woonbegeleiding betekent einde huurovereenkomst (29-01-2015)

De woningstichting verhuurt een woning aan de zorginstelling die deze op haar beurt onderverhuurt aan een bewoner. Aan de onderhuurovereenkomst is een woonbegeleidingsovereenkomst gekoppeld. Bij brief van 5 november 2013 zegt de zorginstelling de woonbegeleiding met de bewoner op. Voorts zegt de zorginstelling de huurovereenkomst met de woningstichting per die datum eveneens op. De woonstichting geeft per brief van 21 november 2013 aan de bewoner te kennen dat de huurovereenkomst is geëindigd per 5 november 2013 en verzoekt de bewoner de woning uiterlijk 6 januari 2014 ontruimd op te leveren. De bewoner heeft geen gehoor gegeven aan het verzoek van de woonstichting om de woning ontruimd op te leveren. De woonstichting vordert in het kort dat de huurovereenkomst is beëindigd per 5 november 2013 door beëindiging van de woonbegeleidingsovereenkomst.

Het geschil tussen partijen betreft in wezen de vraag of de woonbegeleidingsovereenkomst en de huurovereenkomst zo nauw met elkaar zijn verbonden dat het einde van de eerstgenoemde overeenkomst tot gevolg heeft dat de andere evenmin in stand kan blijven. Daarbij komt het aan op uitleg van de rechtsverhouding in het licht van de omstandigheden van het geval.

De kantonrechter is van mening dat de woonbegeleidingsovereenkomst tussen de zorginstelling en de bewoner de overheersende overeenkomst is, die prevaleert boven de huurovereenkomst tussen de woonstichting en de bewoner. De kantonrechter heeft haar oordeel onder meer gebaseerd op het feit dat in de huurovereenkomst uitdrukkelijk staat vermeld dat de huur van de woning afhankelijk is van de woonbegeleiding door de zorgstelling. Voorts speelt mee dat de bewoner reeds vanaf 26 november 2007 de woning niet meer als reguliere huurster van de woonstichting heeft gehuurd. Het moet voor de bewoner duidelijk zijn geweest dat de woonbegeleidingsovereenkomst met de zorginstelling onlosmakelijk was verbonden met en onderdeel uitmaakte van de huurovereenkomst met de woonstichting en dat zij de door de woonstichting ter beschikking gestelde woning zou dienen te verlaten indien de woonbegeleiding door de zorginstelling zou worden beëindigd wegens het niet voldoen door de bewoner aan de gestelde voorwaarden.

In casu kwam de rechter tot het oordeel dat in verband met de beëindiging van de woonbegeleidingsovereenkomst tevens per 5 november 2013 een einde is gekomen aan de huurovereenkomst. De woonbegeleidingsovereenkomst en de huurovereenkomst waren zodanig nauw met elkaar verbonden dat het einde van de eerstgenoemde overeenkomst tot gevolg heeft dat de andere evenmin in stand kon blijven.

bron: rechtspraak.nl